Laat Rutte uitleggen waarom Tati goed is

NRC Handelsblad Opinie 19 april 2011

Door Colin van Heezik

De favoriete film van Mark Rutte is Mon oncle, een Franse film uit 1958 van Jacques Tati – Rutte zei dat desgevraagd tegen Cosmopolitan. In deze film gaat de ouderwetse Monsieur Hulot op bezoek bij zijn zus, die in een absurde, ultramoderne villa woont. Alles is volautomatisch, het interieur  minimalistisch en in de tuin staat een fontein van aluminium in de vorm van een haai. In Playtime (1967) gaat Tati nog een stap verder. Een grijze wereld, vol fantasieloze architectuur en robotachtige mensen. Creativiteit bestaat in dit universum niet meer. De film geldt inmiddels als een meesterwerk, net als Mon oncle. Maar destijds was de film een flop. Tati, de door Mark Rutte bewonderde filmer, ging failliet. Misschien was Tati te weinig op ‘publieksbereik’ gericht – hij stond erop dat Playtime uitsluitend werd vertoond in de zeldzame filmtheaters  die over een 70-mm-projector beschikten.

tati

Gelukkig is zijn werk goed bewaard, zodat onze premier het op dvd kan bekijken. Ondertussen verandert Nederland langzaam in een soort Tativille. Het Filmmuseum heeft daar de kille, futuristische naam Eye – het zou de naam van een lenzenfabriek of brillenmerk kunnen zijn. Bij de opening van een nieuw stuk snelweg laat de minister bij wijze van muziek graafmachines ritmisch heen en weer zwieren : een scène uit een Tati-film. De culturele sector wordt overwoekerd door managers die rapporten publiceren met dit soort teksten: ‘Ook om productie en afname beter in elkaars verlengde te kunnen plaatsen moeten de nationale en andere overheden zoveel mogelijk gezamenlijk aandeelhouder worden in alle schakels van de keten’.

Tijdens mijn studie in Parijs heb ik het vaak moeten aanhoren: de opschepperij van de Fransen als het gaat om kunst en cultuur en de manier waarop le patrimoine, het erfgoed, in Frankrijk gekoesterd wordt. Ja, Frankrijk is l’exception culturelle, zeggen ze maar al te graag, de culturele uitzondering. Zo kun je vanaf 10 euro naar de opera, is het Louvre 1 maal per maand gratis en wordt de Franse cinema zwaar gesubsidieerd. Nederland is het andere uiterste. De gedachte dat kunst zichzelf moet betalen viert hoogtij. Dit wordt mecenaat genoemd, of ‘cultureel ondernemerschap’, of crowdfunding. Maar het gaat verder: het begrip ‘kunst’ zelf heeft een ouderwetse, elitaire klank gekregen.

Waarom zien Fransen, ook rechtse Fransen, dat anders? Is kunst daar niet een linkse hobby, maar een hobby voor zowel links als rechts? Voor zowel de elite als voor het gewone volk? Natuurlijk, de Fransman koestert zijn eigen cultuur. Dat doet de Nederlander niet, omdat hij niet chauvinistisch is. Bovendien zijn we protestant en al sinds de tijd van de  beeldenstorm houden protestanten niet zo van kunst. De Fransen zijn van oudsher katholiek en dol op pracht en praal, in de kerk of daarbuiten. Maar er is nog een andere reden. We vinden het heel hip te roepen dat ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur niet meer gescheiden zijn. Dit gebeurt niet alleen in Nederland, maar bij ons wordt deze gedachte extra gretig omarmd. Dat komt omdat de Nederlander zo slecht in staat is te bewonderen.

Waar leidt dit toe? Zo nu en dan klagen we dat we nooit een film in de hoofdcompetitie van Cannes hebben. ‘Wat is er toch mis met onze filmindustrie?’ wordt er dan gejammerd. Maar als we een directeur van ons eigen filmfestival moeten benoemen, valt de keuze op iemand die helemaal geen verstand van film heeft. De bevlogen directeur Thierry Frémaux van het Festival van Cannes is bovenal een cinefiel. In Frankrijk is het ondenkbaar dat de directeur van een filmfestival geen cinefiel zou zijn. Hoe kan hij anders een goede inhoudelijke koers uitzetten? De kern van het festival is toch de programmering? In Nederland denken we daar anders over. We zoeken een ‘netwerker’ of iemand ‘met een frisse blik’.

Deze denkwijze leidt tot een festival waar geen grote cineast meer op af komt. En zo krijgen we ook de blamage van de Tafel van Zes: een stelletje managers die niet meer uit kunnen leggen waarom iets mooi of goed is en subsidie verdient. Een man als Frémaux zou een hartstochtelijk pleidooi voor filmkunst schrijven. Zoiets dwingt respect af.

Daarom doe ik een voorstel: als Rutte Tati-liefhebber is, laat hij dan eens uitleggen wat voor hem de waarde is van zo’n film. Laten we het even niet over geld hebben. Laten we eens met een on-Nederlandse blik bewonderen en deze zomer in het eenmalig tot Filmmuseum teruggedoopte Eye de film Mon oncle vertonen, met een inleiding door de premier.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: