Gainsbourg: wellust en cynisme

Hij noemde God een fumeur de havanes (een sigarenroker) en verklaarde 1969 tot année érotique. Serge Gainsbourg is al bijna twintig jaar dood, maar de Fransen krijgen geen genoeg van hem. Hij was de uitvinder van het eendagsbaardje, van nonchalance, van schaamteloosheid. En hij deed alles wat hij wilde: hij verbrandde een briefje van 500 francs op televisie en zei bij een ontmoeting met Whitney Houston al na vijf minuten dat hij met haar naar bed wilde.

Er was niets heroïsch aan het leven van Gainsbourg. Hij zoop en naaide erop los en schreef daar liedjes over. Maar Gainsbourg was wel de ‘held’ van zijn tijd, omdat hij leefde zoals iedereen wilde leven: marginaal, overal schijt aan. Maar ook succesvol en aanbeden. Vergeleken bij Gainsbourg was Aznavour een brave bard die de bourgeoisie behaagde met zijn zoete nostalgie. Gainsbourg was tegelijk ruw en verfijnd. En hij had lef. Hij droeg schoenen zonder sokken, rookte Gitanes zonder filter, en haalde wereldwijd de hitparade met Je t’aime moi non plus, het hijgliedje over seks zonder liefde.

Een zingende poète maudit. Verlangen naar anarchie, voluptueus cynisme. Gainsbourg was de tijdgeest. Maar de zuigkracht bleef, ook voor nihilistische generaties na hem. Nu is er de film, Gainsbourg (vie heroïque). Daarin vergrijpt regisseur Joann Sfar, van huis uit striptekenaar, zich wellustig aan de mythe, zoals het hoort: Gainsbourg mag dan een held zijn, heilig is hij niet. Met fantasie en humor schetst Sfar zijn eigen Gainsbourg, waardoor hij het cliché behendig vermijdt.

We zien het brutale jongetje dat al naakte vrouwen wil tekenen. Dan de jongeman die schilder wil worden en met zijn modellen slaapt. Maar Lucien Ginsburg, die bijklust als barpianist om zijn doeken te betalen, schrijft ook wel eens een liedje. En dan wordt hij ontdekt door Boris Vian. Serge Gainsbourg is vanaf nu zijn naam en de jaren volgen waarin alle vrouwen aan zijn voeten liggen. In de laatste episode zien we een door drank en sigaretten gesloopte Gainsbourg, die op Jamaica een parodie van de Marseillaise opneemt en zich er de woede van half Frankrijk mee op de hals haalt. ‘Ik ben een rebel en ik heb het volkslied teruggebracht naar zijn rebelse oorsprong,’ repliceert Gainsbourg.

Hij is niet moeders mooiste, weet de jonge Gainsbourg: flaporen, een haakneus, geen kop om een idool mee te worden. Sfar suggereert een complex maar doet dat zonder enige zwaarte: hij schept een dubbelganger die Gainsbourg achtervolgt, een grappige karikatuur, een stripfiguur. Hij is ook degene die Gainsbourg de moed influistert om langs te gaan bij Juliette Gréco. Ze is gecharmeerd van zijn liedjes, vooral van La Javanaise, een van Gainsbourgs ironische chansons over vluchtige liefde : nous nous aimions/le temps d’une chanson. Gainsbourg zingt met zwoele stem dat niets duurt en dat je dat bij een verliefdheid vaak van begin af aan al weet.

Van begin af aan heeft zijn oeuvre ook een sombere kant. Het vroege nummer Le poinçonneur des Lilas gaat over een kaartjesknipper in de Parijse metro die gek wordt van zijn geestdodende beroep: het eeuwige gaatjes maken in metrokaartjes drijft hem ertoe een laatste gaatje te willen maken, in zijn hoofd, om overal vanaf te zijn. Het geniale is dat Gainsbourg die tekst juist op een opzwepend ritme zet, zoals hij wel vaker het contrast tussen tekst en muziek opzoekt: Du jazz dans le ravin is een vrolijk jazz-nummertje over een auto die in het ravijn stort, terwijl de jazz op de radio opgewekt doorspeelt.

Zijn doorbraak komt met het liedje Poupée de cire, poupée de son dat hij schrijft voor France Gall en waarmee zij het Eurovisie Songfestival van 1965 wint. Maar kort daarna brengt Gainsbourg de 20-jarige Gall in verlegenheid met het liedje Les Suçettes dat je op twee manieren kunt begrijpen: als een onschuldig liedje over lolly’s, dan wel als een nummer over fellatio. Gall zelf weet niet wat ze zingt, totdat Gainsbourg aan journalisten bekent dat de tekst bewust ambigu is.

Het is de tijd van de yéyé, van knullige Franse vertalingen van Amerikaanse liedjes, waarbij yeah yeah verandert in yéyé. Gainsbourg verandert van een onzekere, serieuze liedjesschrijver in een champagnedrinkende, kettingrokende vrouwenversierder. Als eerste chansonnier weet hij Franse pop te maken, die lekker meezingt en waarop je de twist kunt dansen. In deze tijd schrijft Gainsbourg talloze liedjes voor zangeressen, verovert hij de jeugd en vergaart hij zijn eerste rijkdom. In Sfars film zien we hem in bed met twee vrouwen terwijl hij toegeeft dat hij misschien zijn ziel aan de duivel heeft verkocht, maar ‘dat dat ook voordelen heeft’.

Voor elk nieuw vriendinnetje schrijft Gainsbourg een paar liedjes. De geliefde, Bardot, Birkin, of Bambou (zijn laatste, een fotomodel waarmee hij begin jaren tachtig trouwt) wordt dan door Gainsbourg gelanceerd als zangeres. Zingen hoeft ze niet te kunnen, want hij houdt juist van onhandig gepiep en gehijg van een mooie vrouw, die daarmee kwetsbaar en dus nog mooier wordt. Maar Gainsbourg gaat steeds verder: van Bambou neemt hij klaarkomgeluiden op zonder dat ze het weet, om die vervolgens als achtergrondje voor zijn pornografische nummer Love on the Boat toe te voegen.

Hoewel zijn teksten altijd briljant zijn, kun je zijn muziek ook louter als muziek waarderen – wat Gainsbourgs succes in het buitenland verklaart. Vooral Je t’aime moi non plus, waarin Birkin kreunt en Gainsbourg fluistert over een fysieke liefde zonder toekomst, wordt van succès de scandale in eigen land al snel een wereldhit. Het orgeltje, de basgitaar, de hele sound is perfect om aan het einde van de avond het schuifelen mee op gang te brengen en elke twijfel te doen wegsmelten.

Ook in het preutse Amerika lukt dat. De nieuwe wereld fascineert Gainsbourg, zoals blijkt uit zijn nummer Bonnie and Clyde over de mythe van geliefden op de vlucht. Na een bezoek aan New York schrijft hij het spottende New York U.S.A. waarin hij beroemde gebouwen opsomt en het koortje telkens zingt hoe hoog die gebouwen wel niet zijn (‘oh, c’est haut!’). In Les Yés-Yés provoceert Gainsbourg, die jarenlang Nabokov las voor het slapengaan, dat hij zijn Lolita gaat zoeken bij de Yeah-zeggers. Zijn liedjes krijgen steeds vaker Engelse titels, zoals Lemon Incest en Intoxicated Man.

Ondertussen is ‘Gainsbarre’ zelf ook een intoxicated man. Met zijn geafficheerde zelfdestructie is hij de voorloper van Amy Winehouse en Pete Doherty. Na zijn eerste hartaanval in 1973 blijft Gainsbourg stug doorroken en drinken, trouw aan de mythe die hij dan al is geworden. Totdat hij in 1991 overlijdt aan zijn vijfde hartaanval.

Gainsbourg wordt in Sfars film gespeeld door Eric Elmosnino, die als twee druppels water op hem lijkt en ook de stoere, laconieke, sensuele manier van praten perfect beheerst. Maar het wordt nooit een stijve imitatie, zijn Gainsbourg is springlevend. Ook Anna Mouglalis als Gréco, Lucy Gordon als Birkin en Laetitia Casta als Bardot zijn formidabel en brengen deze Franse godinnen zonder enige krampachtigheid tot leven. Vooral Casta weet precies de Bardot neer te zetten die seksbom en kind tegelijk is, en die praat als een slechte actrice, alsof Bardot ook in het echte leven zo praatte. Tragisch is het lot van Lucy Gordon, de actrice die eerder opviel in Cédric Klapisch’ Les poupées russes en kort na de opnamen van Gainsbourg (vie heroïque) zelfmoord pleegde in haar Parijse appartement. De film is aan haar opgedragen.

Sfar vermijdt de valkuilen van de biopic. Dat genre blijft vaak steken in een te brave verfilming van een levensverhaal dat, hoe interessant ook, niet per se een sterk script oplevert. Sfar geeft grif toe dat zijn film ‘waarheden en verzinsels’ bevat, maar daarmee komt hij juist dichter bij de waarheid van de mythe. En er wordt nu eens geen generatieconflict of Oedipus-complex ingezet om de boel te dramatiseren: Gainsbourgs ouders vinden het prachtig dat hun zoon succes heeft en nodigen Bardot gezellig uit voor een authentiek koosjere maaltijd. Wel suggereert Sfar dat Gainsbourgs neiging tot schamperen en schoppen stamt uit de vergiftigde tijd waarin hij opgroeide: Vichy, antisemitisme. Het zou zijn haat-liefdeverhouding met zijn eigen land verklaren.

Meesterlijk is hoe Bardot in de film wordt geïntroduceerd: we zien haar gezicht nog niet, maar alleen de silhouet van een mooie vrouw met een grote, perfect gekamde hond en we horen Gainsbourgs hit Initiales B.B. in een instrumentale versie. Even later zien we haar naakt, liggend op een blauw laken, precies zoals in Godards film Le Mépris. En dan volgt de wensdroom van menige heteroseksuele man: hij aan de piano, improviserend, Bardot naakt dansend op zijn muziek. Gainsbourg heeft alles wat je kan hebben, maar hij blijft de grens opzoeken: hij kan het niet laten een cynisch liefdesliedje te schrijven voor Bardot. Je t’aime moi non plus betekent het einde van hun kortstondige romance.

Gainsbourg is zijn eigen vijand en blijft met zijn dubbelganger in de clinch liggen. Totdat hij de flinterdunne Jane Birkin ontmoet. Zij zegt in Sfars film tegen Gainsbourg: ‘Tu es beau’. Dan breken voor Gainsbourg de jaren aan, waarin hij zichzelf accepteert. Birkin vindt hem mooi en smeert hem zijn spijkerhemd, het eendagsbaardje en de nonchalante look aan die hij tot het eind toe zou behouden. Het Pygmalion-motief is rond: Gainsbourg, die vrouwen modelleert naar zijn smaak, wordt op zijn beurt gemodelleerd door zijn vrouw. Maar ook de relatie met Birkin kan niet eeuwig duren: een paar jaar na de geboorte van hun dochter Charlotte verlaat ze hem. Ze kan zijn grillen niet langer verdragen.

Veel biopics lubberen, deze niet. Door de speelse structuur en omdat elke scène zijn eigen kracht heeft en steeds een net iets ander aspect onthult van Gainsbourg. Zodat we hem steeds beter leren kennen, terwijl Gainsbourg steeds meer zichzelf wordt. Dat is tegelijk de tragiek die Sfar laat zien: hij ontwikkelt zich, ontworstelt zich, verwerft zijn vrijheid, maar komt met elke stap dichter bij de ultieme consequentie van zijn levensstijl.

Vanaf de jaren tachtig wordt Gainsbourg een karikatuur van zichzelf. Hij is de man die dronken op televisie verschijnt, de nationale knuffel-bohémien, allang niet meer gevaarlijk, eerder een fossiel uit die idiote jaren zestig toen we nog opkeken van een pikant liedje en een onverschillig je-ne-sais-quoi. In de film van Sfar komt de stripfiguur-plaaggeest van Gainsbourg nog één keer terug, dit keer om voorgoed met hem te fuseren. Maar Sfar maakt de teloorgang van zijn idool niet te pijnlijk: in een nawoord zegt hij, dat hij te veel van Gainsbourg houdt om de mythe kapot te maken. Sfar heeft zijn eigen dromen en projecties uitgeleefd, zoals we dat allemaal zo graag doen bij helden als Gainsbourg. Zo krijgen ze het eeuwige leven.

www.gainsbourg-lefilm.com

Advertenties
Comments
One Response to “Gainsbourg: wellust en cynisme”
  1. wendykroy schreef:

    Mooie bespreking van een erg mooie film inderdaad. Goed gezien van die intro van Brigitte Bardot. Ik had er zelf niet op gelet …

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: