Filmkunst of hokjesgeest?

VPRO GIDS, juli 2010

Door Colin van Heezik

Begin juli werd het eindexamenwerk gepresenteerd van de Nederlandse Film en Televisie Academie (NFTA). Dat was, zoals meestal, wat aan de ‘brave’ kant. Voorzichtige films, niet vaak verrassend, nooit hemelbestormend. Waar ligt dat aan? Misschien begint het al bij de toelating, waarin het opgestuurde dvd’tje met eigen werk een hoofdrol speelt. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar is het niet. Wie toelating doet tot de Franse filmacademie La Fémis, hoeft geen eigen werk mee te sturen. Liever niet zelfs! ‘Het vak leer je wel bij ons’, is de redenering. ‘We willen weten wat je te vertellen hebt.’ Eigenwijsheid staat daarbij voorop. Zo kan een filosofiestudent worden toegelaten die de aan/uitknop op de camera nog niet weet te vinden. Maar die wel na vier jaar een originele film maakt. Zoniet hij, dan wel een van de andere rare snuiters die La Fémis rekruteert.

Moeten wij onze talenten ook zo selecteren? En hoe maken we er cineasten van? Regisseur Eddy Terstall heeft er een mening  over. ‘De jonge makers in Nederland zijn weinig maatschappelijk betrokken. Ze zouden eigenlijk sociologie moeten doceren aan de filmacademie, zoals in sommige landen gebeurt. Nu leren de studenten wel hoe ze een film moeten maken, maar niet waarover. Dat is alsof je op de school voor de journalistiek alleen maar leert hoe je een tekstverwerker of een computer moet gebruiken.’ Terstall is wel eens gastdocent op de NFTA. Daar vertelt hij de studenten dat ze de krant moeten lezen. ‘Je moet wel weten hoe je cultuur eruit ziet, zelfs als je een komedie maakt. Dan wordt het een rake komedie in plaats van zomaar een komedie.’

Vorig jaar gaf Terstall nog een gastcollege aan de filmacademie. Thema was “Sex,  Drugs, Rock ‘n’ Roll”. Ja, want ook daar ontbreekt het aan bij de jonge garde. ‘Ze moesten van mij wat pikante scènes regisseren met een stel acteurs. Even ongegeneerd losgaan. Er is een grote vertrutting in de samenleving, maar daar moeten filmmakers natuurlijk niet in meegaan. Die moeten opruien!’ De afstudeerfilms van de NFTA vindt hij zelden gedurfd. ‘Het kan beter en het moet beter, op de NFTA en daarbuiten. Wij hebben in Nederland wel goede cameramensen, maar geen scenaristen die echt een origineel script schrijven. Dat leer je niet op de filmacademie. Daarom tellen wij internationaal ook niet mee.’

Hoe denken de studenten erover, zoals de pas afgestudeerde regisseur Anna van Keimpema? Voor haar examenfilm liet ze zich inspireren door Michelangelo Antonioni. ‘Die ontdekte ik pas in mijn laatste jaar. Op de Filmacademie had nog nooit iemand het over hem gehad. Gelukkig was de ontdekking nog op tijd om mijn kijk op film te veranderen.’ Ze zegt het allemaal met enige schroom, want haar ervaring is dat het pretentieus gevonden wordt om over Antonioni te beginnen.

Toch maakte juist zij als enige een examenfilm over deze tijd: de korte fictiefilm Homerun, een tragikomisch portret van een jonge trader (Johnny de Mol) die de onzin van zijn eigen leven inziet. Daarbij wordt hij geholpen door een buurjongen wiens honkbal over de schutting belandt.

Ze hoopt wel dat het subtiel genoeg is. Van Keimpema lijdt aan een ‘uitlegallergie’: als een film te letterlijk wordt, is er voor haar geen lol meer aan. ‘Ik vind dingen snel te nadrukkelijk. Maar je krijgt vaak te horen: zou je de kijker hier niet wat meer bij de hand nemen? Dat past bij de Nederlandse filmcultuur. We zijn veel te democratisch, terwijl kunst niet democratisch is. Een goede film ontstaat pas als 1 iemand een geniaal idee heeft en iedereen daaraan meedoet. In Zweden ging al het geld dat er in dat jaar voor film beschikbaar was naar Bergman. Niemand klaagde daarover, omdat hij degene was die de hele Zweedse cinema op de kaart zette.’

In haar derde jaar kreeg Van Keimpema de kriebels. Ze moest zichzelf nog uitvinden als regisseur, maar daar was geen tijd voor ingeruimd. ‘Dick Maas kwam vertellen hoe zijn découpage op de set niet bleek te werken en hoe hij toen alles anders moest doen. Maar ik zat helemaal niet te wachten op Dick Maas! Ik had behoefte aan diepgang. Een intellectuele oude gek, die wat radicale uitspraken doet over de cinema en hoe het ermee verder moet. In dat opzicht ben ik op de academie totaal niet geprikkeld.’

Ze las laatst een interview met Ursula Antoniak, de regisseur van Nothing Personal. ‘Die zei: “ In Polen willen alle studenten op de filmacademie Kieslowski worden. Hier zijn ze vooral bezorgd of ze na hun studie wel een baan vinden.” Dat herken ik heel sterk. De academie is er niet op gericht auteurs te kweken. Auteurs sturen alles in de war, terwijl de camera- en montagestudenten nu juist een ambacht willen leren. Hoe maak je een goed shot/tegenshot, bijvoorbeeld. Als je dan een regisseur hebt die iets heel anders wil uitproberen, leert die cameraman zijn vak niet. Zo wordt het erg moeizaam een nieuwe beeldtaal te ontwikkelen binnen de academie.’

Ook regiestudent Johannes Hogebrink vindt dat het experiment te veel geschuwd wordt. Hij maakte zelf wel een experimentele film: Devotie, een korte documentaire over vier mensen die in hun uiteenlopende passies (tango, yoga, voetbal, religie) eenzelfde vorm van extase bereiken. De film bootst dat proces na met ingenieuze cameratechnieken en spannende geluidseffecten. Geen makkelijk project om van de grond te tillen bij de NFTA, ervoer Hogebrink: ‘Vaak begint een idee als iets wilds en eindigt het als een conventionele film. Als ik naar iedereen geluisterd had zou het met mijn film ook zo zijn gegaan. Maar ik heb besloten alle adviezen van de studieleider camera naast me neer te leggen.’

Er is een schisma binnen de filmacademie, meent Hogebrink. ‘Je hebt studieleiders die de NFTA als een kunstopleiding zien en studieleiders die het vakmatige voorop stellen. Een fictieregisseur mag niet zijn eigen scenario verfilmen, want dan valt er een scenariostudent buiten de boot. En een documentaireregisseur mag niet zijn eigen film draaien want dan heeft een camerastudent weer een probleem. Zo wint het systeem het vaak van de vernieuwingsdrang en originaliteit.’

Ja, maar als de filmwereld in Nederland nu precies zo is? Dat is verkeerd om gedacht, vindt Hogebrink: ‘Zo is de hokjesgeest doorgesijpeld in de filmacademie. Maar je moet proberen het tij te keren. Als er een vrije geest heerst op de filmacademie, kan die vervolgens doordringen tot de rest van de filmwereld.’ Hogebrink had zijn kritiek op de academie in een Manifest genoteerd, dat hij bij zijn filmpresentatie wilde voorlezen aan de pers. ‘Maar ik heb ervan af gezien. De nieuwe directeur ziet het ook en is van plan de dingen te veranderen.’

Die nieuwe directeur is Sytze van der Laan. ‘In Duitsland heb je zeven filmacademies,’ zegt hij. ‘In Nederland hebben we er maar een. Dat betekent dat wij alle takken van sport moeten bedienen: van reclame, publieksfilm en televisie tot arthouse en experimentele film. De Duitsers hebben voor al die zaken aparte academies.’ Van der Laan kan het weten, want hij heeft zelf jarenlang in Duitsland als succesvol filmproducent gewerkt. Met die ervaring op zak zet hij sinds zes maanden zijn tanden in de Nederlandse filmacademie. Zijn grote voorbeeld: Billy Wilder, het genie dat tegelijk het grote publiek en de connaisseur bediende.

Van der Laan is positief over het huidige filmklimaat in Nederland. ‘Ik zie een heel  andere energie dan toen ik wegging, begin jaren negentig. Er is veel ambitie en vernieuwingsdrang bij makers. David Verbeek, Mijke de Jong. Maar ik zie dat in samenhang met het succes van de publieksfilm: Terug naar de kust, De gelukkige huisvrouw, Komt een vrouw bij de dokter. Zonder zo’n bodem van succesvolle commerciële films kun je geen artistieke filmproductie in een land hebben. Dat geldt ook op de filmacademie: de student die artistieke films wil maken krijgt van de meer commercieel ingestelde student te horen: “He, dit is echt te vaag, niemand snapt hier wat van.” Omgekeerd kan de artistieke maker zeggen: “ Sorry,  maar dit is echt te clichématig.”  Zo leren ze van elkaar.’

Van der Laan benadrukt de structuur van zijn academie. ‘Wij hebben negen vakgroepen: regie fictie, regie documentaire, scenario, productie, montage, camera, geluid, production design, special effects. En alles loopt hier rond, van arthousefanaten tot studenten die Lord of the Rings geweldig vinden. Er is geen scholenstrijd, wel een ongoing discussie. Wat is het eindresultaat dat we afleveren: is dat de examenfilm of is dat de student? We willen dat iedereen zich creatief en ambachtelijk ontwikkelt tot breed inzetbare makers en technici. Want we zijn wel een HBO-opleiding die voorbereidt op de beroepspraktijk.’

Kan er iets beter? Jawel. ‘Voor volgend jaar heb ik als thema ‘urgentie’ gekozen. Daarom gaan we praten met mensen van de Sam Spiegel-filmacademie in Jeruzalem. De urgentie van de films mag sterker: waarom maken we films? Ik vind ook het individuele iets te sterk, het navelstaarderige. Terwijl je ook prima iets over anderen kunt vertellen dat uiteindelijk over jezelf gaat. In Duitsland is de eigen geschiedenis natuurlijk heftiger dan bij ons. Daarom gaan films daar vaak over, vooral de laatste jaren met Goodbye Lenin en Gegen die Wand of Das Leben der Anderen. Maar wij hebben ook een geschiedenis:  Indonesië bijvoorbeeld, of de krakersrellen. Waar is die Nederlandse filmcanon over onze eigen historie?’

Natuurlijk wil hij kwaliteit afleveren. Funest vindt Van der Laan juist wat dat betreft de nieuwe regel: een kunstacademie krijgt vier jaar subsidie per student, tenzij de student al iets anders gestudeerd heeft. Die jaren worden ervan afgetrokken. ‘Zo snijden we ons financieel in de vingers als we een student aannemen die al iets anders in zijn leven gedaan heeft. Wij hebben niets tegen 18-jarigen, maar enige levenservaring is, vooral voor een richting als regie documentaire, onontbeerlijk. Weg dus met die regel!’

Devotie is een oogstrelende, experimentele documentaire over vier mensen die in hun uiteenlopende passies (tango, yoga, voetbal, religie) eenzelfde vorm van extase bereiken. De film tracht dat gevoel in beeld en geluid na te bootsen.

De fictiefilm Homerun is een tragikomisch portret van een jonge trader (Johnny de Mol) die de onzin van zijn eigen leven inziet. Een geslaagde mix van Blow-Up in het klein, met wat American Psycho en Wall Street.

De fictiefilm Dicht bij mij vandaan vermengt vier verhalen van mensen die iets gemeen hebben: ze kunnen het geluk dat voorhanden ligt net niet aanraken. Met een leuke rol van Kitty Courbois.

De fictiefilm Mo gaat over twee vrienden in de Amsterdamse achterstandswijk Slotervaart. De is een is ‘allochtoon’, de ander ‘autochtoon’. Maar dat is slechts 1 aspect van hun vriendschap die langzaam afbrokkelt tegen het betonnen decor van dit stadsdeel.

Rumah Tua is een portret dat regisseur Lizette Mataheru maakte van haar Molukse oma (84) die zich opmaakt voor een laatste bezoek aan haar geboorteland. Onderwijl tracht kleindochter Lizette haar ‘Indische Zwijgen’ te doorbreken.

Hoe gaan we om met slachtofferschap? Dat toont de documentaire Boos, die lijkt te gaan over een man die mishandeld wordt door zijn vrouw, maar tegelijk een bredere vraag aansnijdt: wat is (mentale) weerbaarheid?

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: