De speelse auto-bio-docu van Varda

‘Mag ik nu weer aan het werk?’

Vrij Nederland, 11 juni 2009

 

Door Colin van Heezik

varda1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Nouvelle Vague was een jongensbende, maar een van de kwajongens was een vrouw, Agnès Varda. Haar regiedebuut La Pointe Courte dateert van 1954, haar doorbraak kwam in 1961 met Cléo de 5 à 7: een formeel experiment, het vertellen van een verhaal in ‘real time’ (van vijf tot zeven). De film maakte indruk in Cannes en Varda werd La Varda.

Ze werd onlangs 81, maar Varda zit niet stil. ‘Ik  ben al sinds half acht vanochtend aan het werk,’ vertelt ze aan de telefoon. En nee, we gaan vooral niet bij het begin beginnen. Daarover heeft ze al een boek geschreven. ‘Varda par Agnès, heet het. Leest u dat maar.’ Ja, haar nieuwe film, daar wil ze het wel over hebben.

Varda blijft verrassen, ditmaal met een ‘auto-bio-docu’ à la Varda, die ook voor wie haar verhaal al kent (met als rode draad haar relatie met de Franse musicalmaker Jacques Demy) op geen moment voorspelbaar wordt. Dat komt vooral door Varda’s speelse stijl.

In die film, Les plages d’Agnes, spoelt Varda haar leven terug. Het centrale beeld is Varda zelf die achteruit loopt, weg van de camera. Een film over een filmleven, met als decor haar favoriete stranden. Daar jut Varda naar herinneringen, maar zonder melancholiek gemijmer. De toon is altijd opgewekt en geen archieffragment duurt te lang.

‘Het interesseert me niet om een realistisch zelfportret te maken, wel om de juiste beelden te vinden. Het achteruitlopen, bijvoorbeeld, is zo’n beeld: daarmee toon ik de ambiguïteit van mijn project, teruggaan in de tijd zonder om te kijken, en tegelijk is het alsof je een film achterstevoren afspeelt.’

Veelzeggend is de scène waarin Varda allemaal spiegels op het strand uitstalt – een mise en abyme voor haar gehele project. ‘Hoe kun je een heel leven vertellen? Dat kan niet, althans niet op een eenduidige manier. Daarom wilde ik niet één, maar meerdere spiegels in de film. Spiegels die niet alleen mij, maar ook anderen weerspiegelen, en de zee, het strand en wat dan ook voorbijkomt, zoals de surfers die toevallig passeerden die middag. Ik had weer eens geluk, zoals altijd, want er stond die dag flink wat wind. Waardoor ook mijn sjaal voor mijn gezicht waaide, wat ik een aardig beeld vond. ‘

Ze maakte naam als fictieregisseur, maar is nu vooral documentairemaakster. Dat geeft haar meer vrijheid, vertelt Varda. ‘Ik heb een werkwijze ontwikkeld waarbij ik het toeval alle ruimte geef. Dat is begonnen met mijn eerste documentaire, Le Documenteur (1981),  waarbij het toeval voor het eerst mijn ‘regie-assistent’ was.  Sindsdien houd ik van films die ‘ademen’, die niet stikken in een voorgebakken  structuur.’ Met die methode maakt Varda nog steeds films die het lang volhouden in de bioscoop, zoals ook nu weer Les plages. Een belangrijk verschil met bijvoorbeeld haar tijdgenoot Jean-Luc Godard, die voor velen al te ondoorgrondelijk is geworden.

Varda heeft een feilloos oog voor de tijdgeest, zoals al bleek met Le bonheur (1965), een kritiek van de vrije liefde, en Réponses de femmes (1975), een eigenzinnig feministisch essay. Les glaneurs et la glaneuse (2000) was wederom een schot in de roos: met een ontroerende film over sprokkelaars toonde Varda de schaduwzijde van het grote consumeren.

Haar liefde voor het toeval, zo zien we in Les plages, gaat ver terug. Naar de tijd dat ze nog fotografe was en een foto maakte van een acteur, wiens hand per ongeluk onscherp was geworden. Dat was juist mooi, op die foto, besefte Varda. De perfecte foto was een mislukte foto. Sindsdien houdt ze van het onverwachte, het ongecontroleerde.

 ‘Zo kwam ik tijdens het draaien van Les plages in een klein dorpje in de Vendée op een rommelmarkt, waar ik volkomen toevallig twee foto’s  aantrof van mij en Jacques Demy, achter elkaar in dezelfde bak. Je ziet dat in de film, maar het is niet in scène gezet. Terwijl ik vooral mijn reactie daarop een van de mooiere momenten vind.’  

Met Demy, de maker van Les parapluies de Cherbourg, woonde ze in een romantisch huis in de Parijse rue Daguerre, rondom een binnenplaats. Aan de ene kant werkte Demy aan zijn nieuwe film, samen met componist Michel Legrand, aan de andere kant draaide Varda een scène met Michel Piccoli. Zo werd filmgeschiedenis geschreven in het huis, waar Varda nog altijd woont.

Sinds de uitbreng van de film in Frankrijk weten veel mensen de rue Daguerre te vinden. ‘De film draait nog steeds drie keer per week in een bioscoop bij mij om de hoek, in het veertiende arrondissement. Na afloop komen mensen bij me langs, pour féliciter Agnès. Mensen zijn vaak ontroerd door de film, al weet ik niet waarom. Misschien is het vanwege het geluk dat uit de film spreekt, tussen de trieste momenten door. Alsof de film over henzelf gaat, heel bijzonder om te merken.’

Die ontroering heeft veel met Demy te maken. Over de homoseksualiteit van Demy en de jaren van verwijdering rept ze niet, wel over hun gelukkige eerste en laatste jaren samen, over zijn ziekte (AIDS) en zijn dood, tien dagen nadat Varda haar verfilming van Demy’s jeugdherinneringen (Jacquot de Nantes, 1990) voltooide.  Zijn pijnlijke afwezigheid wordt in Les plages opgevuld door de vrolijke, veelkleurige beelden waarmee Varda een  hommage aan hem brengt.

Les plages, dat zijn het strand van Sète, waar ze opgroeide, het strand van Noirmoutier waar ze kwam met Demy, dat van Santa Monica waar het echtpaar ooit woonde. Maar het strand heeft ook een symbolische functie: het is een innerlijk landschap en een grensgebied. De zee verwijst naar de Nouvelle Vague,maar bovenal naar Jacques Demy, die zichzelf in een archieffragment met de zee vergelijkt: ‘grijs en blauw, zo ben ik’. 

De verbeelding speelt  een hoofdrol in de film. ‘Ik schep nu de beelden die mij altijd bewoond hebben,’ zegt ze en we zien haar in een nagebouwde walvis op het strand, als Jonas. Even later vaart Varda voorbij in een bootje op de Seine, terwijl een  actrice in de rol van de jonge Varda een boek leest op de kade. Vervolgens knipt Varda naar een scène uit een van haar films, waarin een meisje een boek leest op de kade, totdat een jonge Gérard Depardieu het van haar steelt.

Zo laveert Varda steeds tussen heden en verleden, ervaring en herinnering, het echte leven en le cinéma. Die ludieke vorm tilt de film uit boven een document voor Varda-liefhebbers.

‘Als kind was ik dol op het tekenen van een cadavre exquis: iemand tekent een hoofd en vouwt dat weg, vervolgens tekent iemand de nek, dan weer iemand het lichaam, enzovoort. Dat levert altijd een grappig mannetje op. Op die manier heb ik mijn film gestructureerd: als een spel, een puzzle. Dat maakt de film luchtiger, leuker dan een lineaire autobiografie. Toen ik die vorm had bedacht, kreeg ik ook pas zin om een film over mezelf te maken.’

Oude golven, nieuwe golven. Ze houdt niet eigenlijk niet van terugkijken, zegt ze. Nieuwe films maken, daar gaat het om. Aan het eind van het interview bedankt ze charmant en zegt ze: ‘Mag ik nu weer aan het werk?’

Agnès Varda is hoofdgast op het festival Doku.Arts in het Filmmuseum (11-14 juni). Daar wordt een aantal van haar films vertoond, waaronder Les plages d’Agnès. Vanaf 18 juni is die film ook elders in het land te zien.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: